NLnl-learn

A1 — Grammatica · Grammar

Grammar · A1

First phrases, simple sentences, the basic verbs

A1A2B1B2C1lessons in this section: 23

Word order: verb in second position

Woordvolgorde in de hoofdzin: werkwoord op plaats 2

◷ 20 min

Two main verbs: zijn and hebben

De werkwoorden zijn en hebben

◷ 22 min

Present tense of regular verbs

De tegenwoordige tijd: ik werk, jij werkt, wij werken

◷ 25 min

Spelling rules: short and long vowels

Spelling: korte en lange klinkers, dubbele letters

◷ 22 min

The articles de, het and een

De lidwoorden: de, het en een

◷ 22 min

Plural of nouns

Het meervoud: -en, -s en de spelling

◷ 22 min

Possessive pronouns: mijn, jouw, zijn, haar

Bezittelijke voornaamwoorden: van wie is het?

◷ 20 min

How to ask questions

Vragen stellen: ja/nee-vragen en vraagwoorden

◷ 22 min

Negation: niet and geen

Ontkenning: niet of geen?

◷ 20 min

Modal verbs: kunnen, moeten, willen, mogen

Modale werkwoorden: kunnen, moeten, willen, mogen, zullen

◷ 28 min

Separable verbs: opbellen, meenemen, afspreken

Scheidbare werkwoorden: het voorvoegsel gaat naar achteren

◷ 25 min

Personal pronouns: ik, jij, hem, haar

Persoonlijke voornaamwoorden: onderwerp en voorwerp

◷ 20 min

je, jij or u: How to address people

Je, jij of u: aanspreekvormen

◷ 20 min

Demonstratives: deze, dit, die, dat

Aanwijzende voornaamwoorden: deze, dit, die, dat

◷ 18 min

The construction er is / er zijn

Er is, er zijn: iets bestaat of is aanwezig

◷ 18 min

Prepositions of place and direction

Voorzetsels van plaats en richting

◷ 20 min

Adjective: when to add -e

Het bijvoeglijk naamwoord: wel of geen -e

◷ 20 min

Imperative mood: Kom binnen!

De imperatief: gebiedende wijs

◷ 18 min

Ordinal numbers and dates

Rangtelwoorden en data: de eerste, de tweede, op 3 januari

◷ 20 min

Right now: aan het + infinitive

Ik ben aan het koken: bezig zijn met iets

◷ 20 min

Reason: want and omdat

Want en omdat: de reden geven

◷ 20 min

Past participle: gewerkt, gefietst, gezien

Het voltooid deelwoord: ge- + stam + t of d

◷ 22 min

Past tense: hebben or zijn

Het perfectum: hebben of zijn?

◷ 22 min