NLnl-learn

Ik ben aan het koken: bezig zijn met iets

Right now: aan het + infinitive

A1 · Beginner · ≈ 20 min

Dutch doesn't have a separate “continuous” tense, but it has a ready-made construction: zijn + aan het + infinitive. Ik ben aan het koken means “I am cooking right now”. Without it, the phrase sounds like a schedule, not something happening at this very moment.

Frame: zijn … aan het … infinitive
  • Ik ben aan het koken.

    I am cooking right now.

    1Ik
    2. zijnben
    3. Rest + aan hetaan het
    4. Infinitiefkoken.
  • We zijn de keuken aan het opruimen.

    We are cleaning the kitchen.

    1We
    2. zijnzijn
    3. Rest + aan hetde keuken aan het
    4. Infinitiefopruimen.
  • Mila is boven huiswerk aan het maken.

    Mila is doing homework upstairs.

    1Mila
    2. zijnis
    3. Rest + aan hetboven huiswerk aan het
    4. Infinitiefmaken.
  • Wat ben je aan het doen?

    What are you doing right now?

    1Wat
    2. zijnben
    3. Rest + aan hetje aan het
    4. Infinitiefdoen?

The object is placed before aan het: Ik ben de afwas aan het doen. A separable verb remains whole: aan het opruimen.

1. When to use it

Simple present or aan het
ZinMeaning
Ik kook elke avond.habit: I cook every evening
Ik ben aan het koken.right now, at the stove
Hij werkt bij de gemeente.place of work in general
Hij is aan het werken.busy right now, do not disturb
We eten om zes uur.routine
We zijn aan het eten.we are at the table this minute

That's why people often answer the phone with: “Sorry, ik ben net aan het eten, bel ik je zo terug?”

2. Two related ways

zitten / staan / liggen te and bezig zijn met
VormVoorbeeldNuance
zitten te + infinitiveHij zit te bellen.sitting and calling
staan te + infinitiveZe staat te wachten bij de halte.standing and waiting
liggen te + infinitiveDe kinderen liggen te slapen.lying and sleeping
lopen te + infinitiveHij loopt te mopperen.walking and grumbling (often with the nuance of “already annoying”)
bezig zijn met + nounIk ben bezig met het formulier.busy with something
bezig zijn te + infinitiveIk ben bezig het huis op te ruimen.the same, slightly more formal

Forms with zitten/staan/liggen add a posture and sound very Dutch. You don't need to translate them literally: hij zit te bellen simply means “he is on the phone”.

3. In the past tense and with modal verbs

  • Ik was net aan het koken toen je belde.

    I was just cooking when you called.

    Past tense: was / waren aan het.

  • We zijn de hele dag aan het opruimen geweest.

    We've been tidying up all day.

    Perfect tense: zijn … aan het … geweest.

  • Hij zat te bellen toen ik binnenkwam.

    He was talking on the phone when I came in.

  • Ik wil niet de hele avond aan het werken zijn.

    I don't want to work all evening.

    With a modal verb, zijn is added at the end.

Dialoog — Bellen op het verkeerde moment

A call home in the middle of the evening.

  1. Thijs

    Hoi Alex, stoor ik? Wat ben je aan het doen?

    Hi Alex, am I interrupting? What are you doing right now?

  2. Alex

    Ik ben net het eten aan het maken, maar zeg het maar.

    I'm just making dinner, but go ahead.

  3. Thijs

    Kort dan. Is Nora thuis?

    Briefly then. Is Nora home?

  4. Alex

    Ja, maar ze zit te bellen met haar moeder. Kan ik iets doorgeven?

    Yes, but she's talking on the phone with her mum. Shall I pass anything on?

  5. Thijs

    Vraag even of jullie zaterdag meegaan naar de markt. En de kinderen?

    Ask whether you're coming to the market with us on Saturday. And the children?

  6. Alex

    Mila is boven huiswerk aan het maken, de kleine ligt al te slapen.

    Mila is upstairs doing her homework, the youngest is already asleep.

  7. Thijs

    Rustig huis dus. Ik bel morgen wel terug, dan ben je niet aan het koken.

    A quiet house, then. I'll call back tomorrow when you're not cooking.

4. Veelgemaakte fouten

✕ Not like this

Ik ben koken.

✓ Correct

Ik ben aan het koken.

I'm cooking right now.

Why: Without aan het, the construction doesn't exist.

✕ Not like this

Ik ben aan het kook.

✓ Correct

Ik ben aan het koken.

I'm cooking right now.

Why: After aan het the verb stays in its full dictionary form: koken, not kook.

✕ Not like this

Ik ben aan het de afwas doen.

✓ Correct

Ik ben de afwas aan het doen.

I'm doing the dishes right now.

Why: What you're doing (de afwas — the dishes) goes before aan het, and the verb goes right at the end.

✕ Not like this

Hij is te bellen.

✓ Correct

Hij zit te bellen.

He's (sitting) on the phone.

Why: The construction with te requires zitten/staan/liggen.

✕ Not like this

Ik was aan het werkte toen je belde.

✓ Correct

Ik was aan het werken toen je belde.

I was working when you called.

Why: After aan het the verb stays in its dictionary form in the past too: werken. Only was shows the past.

✕ Not like this

Ik ben bezig met opruimen het huis.

✓ Correct

Ik ben het huis aan het opruimen.

I'm tidying the house right now.

Why: Simpler and more natural with aan het.

Woordenlijst

  • aan het + infinitief

    to be busy with something right now

    Ik ben aan het werken.

  • bezig zijn met

    to be doing something

    Ik ben bezig met het formulier.

  • storen

    to interrupt, to distract

    Stoor ik?

  • doorgeven

    to pass on (a message)

    Kan ik iets doorgeven?

  • net

    just, just now

    Ik ben net aan het eten.

  • mopperen

    to grumblespreektaal

    Hij loopt de hele dag te mopperen.

Found a mistake or something unclear in this lesson? Send me a note →