Wat thuis is
- Personages:
- Nora (ik-verteller)
Er is een vraag die ik inmiddels zo vaak heb gehoord dat ik er een antwoord op heb klaarliggen: „Voel je je hier al thuis?” Meestal wordt hij gesteld op verjaardagen, tussen de kaas en de bitterballen, door mensen die het oprecht willen weten maar op een kort antwoord rekenen. „Steeds meer,” zeg ik dan, en iedereen is tevreden. Het echte antwoord past niet tussen twee happen.
Het Nederlands heeft er een opvallend woord voor: thuis. Het is geen huis en ook geen land, maar een toestand. Je kunt ergens thuis zijn, je ergens thuis voelen, ergens goed in thuis zijn: in een onderwerp, een buurt, een taal. Het woord veronderstelt dat thuis iets is waar je kunt aankomen, en dus ook iets waar je nog niet bent.
In mijn eerste jaar was ik nergens thuis. Niet in ons appartement, dat nog naar de vorige bewoners rook. Niet in de supermarkt, waar ik twintig minuten voor het schap met zuivel stond omdat ik het verschil tussen kwark, vla en yoghurt niet begreep. En zeker niet in de taal, waarin ik me voelde als iemand die met handschoenen aan piano probeert te spelen: de bedoeling was er, maar het klonk nergens naar.
Thuis kwam niet in één keer, maar in kleine, bijna onzichtbare stappen. De eerste keer dat ik een grap van een collega begreep voordat de anderen lachten. De eerste keer dat de bakker mijn bestelling al kende. De eerste keer dat ik me ergerde aan iemand die stilstond op het fietspad — en me realiseerde dat die ergernis volkomen Nederlands was. Je hoort pas ergens bij, schreef iemand ooit, als je je eraan kunt ergeren.
Toch is thuis geen eindpunt dat je bereikt en daarna bezit. Het kan je op onverwachte momenten ontglippen. Een formulier van de gemeente dat ik drie keer moet lezen. Een opmerking op een verjaardag — „maar waar kom je eigenlijk vandaan?” — die vriendelijk bedoeld is, maar me eraan herinnert dat mijn accent nog altijd hoorbaar is. Op zulke momenten sta ik weer even buiten, met mijn neus tegen het raam.
Wat ik heb geleerd, is dat je meerdere thuizen kunt hebben, en dat ze elkaar niet uitsluiten. Mijn dochter droomt in het Nederlands en rekent in mijn moedertaal. Mijn man noemt de dijk achter ons huis „onze dijk”, alsof hij hem eigenhandig heeft aangelegd. En als ik terugkom van een reis en de eerste windmolens en de eindeloze vlakke weilanden zie, voel ik iets wat het meest lijkt op opluchting.
Dus voel ik me hier al thuis? Het eerlijke antwoord is: steeds vaker, maar nooit helemaal, en dat is misschien precies goed. Een thuis waar je nooit uit valt, is waarschijnlijk geen thuis maar een gewoonte. En gewoontes heb ik hier inmiddels genoeg, inclusief die waarbij ik op verjaardagen zeg: „Steeds meer.”