Van de schuur
- Soort tekst:
- Verhaal (fragment)
- Verteller:
- ik-persoon, terugblikkend
Mijn vader repareerde fietsen zoals andere mannen bidden: zwijgend, met gebogen hoofd, en altijd op zondag. De schuur achter ons rijtjeshuis rook naar olie en natte jassen. Als kind zat ik op een omgekeerde krat en gaf hem de sleutels aan, in de volgorde die hij met een knik van zijn kin aanwees. Woorden waren niet nodig. Die gebruikte hij doordeweeks al genoeg, in het distributiecentrum waar hij dozen scande die hij nooit openmaakte.
Aan de spijker boven de werkbank hing, tussen de bandenlichters en een kalender van een garage die al jaren failliet was, een sleutel die nergens op paste. Hij was groter dan onze voordeursleutel, zwaar, met een ijzeren baard die wat was gaan roesten. 'Van de schuur,' zei mijn vader toen ik ernaar vroeg. Welke schuur, vroeg ik niet. Ik was negen, en ik wist al dat sommige vragen in ons huis geen antwoord hadden, alleen een stilte die langer duurde dan de vraag.
Toen ik zestien was, leerde hij mijn nichtje fietsen, op het pleintje bij de flats. Hij liep naast haar, zijn hand onder het zadel, en ik hoorde hem iets zeggen in de taal die hij thuis nooit sprak. Een zinnetje maar, zacht, alsof hij het tegen het fietsje zei. Mijn nichtje begreep het niet en fietste gewoon door. Mijn vader liet het zadel los. Hij bleef nog even staan, midden op het plein, met zijn hand in de lucht, alsof hij iets had losgelaten dat groter was dan een meisje op een roze fiets.
Hij stierf in maart, zonder drama, zoals hij ook had geleefd. Bij het opruimen van de schuur vond ik de sleutel terug. De spijker was gebleven; de kalender was verdwenen. Ik woog de sleutel in mijn hand en besefte dat ik niet eens wist van welke deur hij was, in welke straat, in welk dorp. Ik wist alleen dat mijn vader hem vijfendertig jaar lang elke zondag had zien hangen.
Mijn moeder keek er even naar en zei: 'Die kon hij nooit weggooien.' Meer zei ze niet. Ik stopte hem in mijn jaszak, waar hij de hele weg naar huis tegen mijn heup tikte, als iemand die aanklopt.
Hij hangt nu in mijn eigen schuur, aan een nieuwe spijker. Mijn zoon vroeg laatst waar hij van was. 'Van de schuur,' zei ik. Hij keek me aan, wachtte even, en vroeg toen niets meer.