Naar de huisarts
- Personages:
- Alex, Nora, de assistente, de huisarts
Alex is al drie dagen ziek. Hij heeft keelpijn en een beetje koorts. Hij slaapt slecht en hij is moe. „Bel de huisarts,” zegt Nora.
Om acht uur belt Alex de huisartsenpraktijk. De assistente neemt op. „Wat zijn uw klachten?” vraagt ze. Alex vertelt over zijn keel en de koorts. „U kunt om tien voor elf komen,” zegt ze.
In de wachtkamer zitten nog drie mensen. Alex wacht een kwartier. Dan komt de huisarts naar de wachtkamer. Ze geeft Alex een hand. „Komt u maar mee.”
De huisarts kijkt in zijn keel en luistert naar zijn longen. „Het is een virus,” zegt ze. „Antibiotica helpen niet. Rust veel, drink veel water en neem paracetamol als u pijn hebt.” „Alleen paracetamol?” vraagt Alex. „Ja. Over een week bent u weer beter. Bel als de koorts hoger wordt.”
Thuis vertelt Alex het aan Nora. Nora lacht: „Paracetamol! Dat zeggen al mijn collega's ook: de huisarts geeft altijd paracetamol.” Na zes dagen voelt Alex zich weer goed. De huisarts had gelijk.