Voorzetsels van plaats en richting
Предлоги места и направления
A1 · Начальный · ≈ 20 мин · контекст: Tilburg, Eindhoven, Eindhoven, het park
Предлоги нельзя перевести один в один: по-русски «на улице», а по-нидерландски op straat; «в вокзале» не бывает, зато есть op het station. Здесь — рабочий минимум A1 с опорой на реальную географию Тилбурга и Эйндховена.
1. Где: основной набор
| Voorzetsel | Перевод | Voorbeeld |
|---|---|---|
| in | в (внутри) | Ik woon in Tilburg, in een appartement. |
| op | на (поверхности, площади, этаже) | De sleutels liggen op tafel. Ik werk op kantoor. |
| aan | у, при (вдоль чего-то) | Het huis staat aan de Hoofdstraat. |
| bij | у, около (человека, места) | Ik ben bij de huisarts. De school is bij het park. |
| naast | рядом с | De apotheek zit naast de bakker. |
| tegenover | напротив | De bushalte is tegenover de kerk. |
| tussen | между | Het dorp ligt tussen Tilburg en Eindhoven. |
| achter | за, позади | De fietsen staan achter het huis. |
| voor | перед | Ik wacht voor de ingang. |
| onder / boven | под / над | Onder de tafel. Wij wonen boven de winkel. |
| Voorzetsel | Перевод | Voorbeeld |
|---|---|---|
| in | в (внутри) | Ik woon in Tilburg, in een appartement. |
| op | на (поверхности, площади, этаже) | De sleutels liggen op tafel. Ik werk op kantoor. |
| aan | у, при (вдоль чего-то) | Het huis staat aan de Hoofdstraat. |
| bij | у, около (человека, места) | Ik ben bij de huisarts. De school is bij het park. |
| naast | рядом с | De apotheek zit naast de bakker. |
| tegenover | напротив | De bushalte is tegenover de kerk. |
| tussen | между | Het dorp ligt tussen Tilburg en Eindhoven. |
| achter | за, позади | De fietsen staan achter het huis. |
| voor | перед | Ik wacht voor de ingang. |
| onder / boven | под / над | Onder de tafel. Wij wonen boven de winkel. |
2. Куда: naar
Ik ga naar Eindhoven, naar mijn werk.
Я еду в Эйндховен, на работу.
Zij fietst naar school.
Она едет в школу на велосипеде.
We gaan zaterdag naar de Hoge Veluwe.
В субботу мы едем на Хоге Велюве.
Ik moet naar de tandarts.
Мне нужно к стоматологу.
С направлением глагол gaan часто опускают.
Waar ga je naartoe?
Ты куда?
В вопросе рамка: waar … naartoe.
| Plaats — где | Richting — куда |
|---|---|
| Ik ben in de stad. | Ik ga naar de stad. |
| Hij is op kantoor. | Hij gaat naar kantoor. |
| We zijn bij de huisarts. | We gaan naar de huisarts. |
| Ze is thuis. | Ze gaat naar huis. |
| Plaats — где | Richting — куда |
|---|---|
| Ik ben in de stad. | Ik ga naar de stad. |
| Hij is op kantoor. | Hij gaat naar kantoor. |
| We zijn bij de huisarts. | We gaan naar de huisarts. |
| Ze is thuis. | Ze gaat naar huis. |
thuis = дома, naar huis = домой. Обе формы без артикля — так и запоминаем.
3. Откуда: uit и van
Mijn collega komt uit Portugal.
Мой коллега из Португалии.
О стране и городе — uit.
Hij komt net uit de winkel.
Он только что вышел из магазина.
Deze kaas is van de markt.
Этот сыр с рынка.
Ik heb het van mijn buurvrouw gehoord.
Я слышал это от соседки.
Dialoog — De weg vragen in Tilburg
Прохожий объясняет дорогу к вокзалу.
- Alex
Sorry, weet u waar het station is?
Извините, вы не знаете, где вокзал?
- Mevrouw
Ja hoor. U loopt hier rechtdoor tot de kruising, en dan rechtsaf.
Да, конечно. Идите прямо до перекрёстка, потом направо.
rechtdoor — прямо, rechtsaf — направо, linksaf — налево.
- Alex
En dan?
А потом?
- Mevrouw
Dan ziet u een kerk. Het station ligt tegenover de kerk, naast de fietsenstalling.
Потом увидите церковь. Вокзал напротив церкви, рядом с велопарковкой.
- Alex
Is het ver?
Это далеко?
- Mevrouw
Nee hoor, vijf minuten te voet. Met de fiets in twee minuten.
Да нет, пять минут пешком. На велосипеде — за две.
te voet — пешком, книжнее чем lopend, но слышно часто.
- Alex
Dank u wel!
Спасибо большое!
4. Veelgemaakte fouten
✕ Так неправильно
Ik ben in het station.
✓ Правильно
Ik ben op het station.
Я на вокзале.
Почему: Вокзал, офис, рынок, школа идут с op.
✕ Так неправильно
Ik ga in Eindhoven.
✓ Правильно
Ik ga naar Eindhoven.
Я еду в Эйндховен.
Почему: Направление — только naar.
✕ Так неправильно
Ik ga naar thuis.
✓ Правильно
Ik ga naar huis.
Я иду домой.
Почему: Домой — naar huis; thuis значит «дома».
✕ Так неправильно
Zij komt van Portugal.
✓ Правильно
Zij komt uit Portugal.
Она из Португалии.
Почему: О стране происхождения — uit.
✕ Так неправильно
De kinderen spelen in straat.
✓ Правильно
De kinderen spelen op straat.
Дети играют на улице.
Почему: Устойчивое op straat, без артикля.
✕ Так неправильно
Ik werk in kantoor.
✓ Правильно
Ik werk op kantoor.
Я работаю в офисе.
Почему: Устойчивое op kantoor.
Woordenlijst
de kruisingмн. kruisingen
перекрёсток
Bij de kruising gaat u rechtsaf.
rechtdoor
прямо
Loop hier rechtdoor.
rechtsaf / linksaf
направо / налево
Bij de kerk linksaf.
de fietsenstallingмн. fietsenstallingen
велопарковка
De fietsenstalling is naast het station.
te voet
пешком
Vijf minuten te voet.
ver
далеко
Is het ver van hier?
| de kruisingмн. kruisingen | перекрёсток Bij de kruising gaat u rechtsaf. |
| rechtdoor | прямо Loop hier rechtdoor. |
| rechtsaf / linksaf | направо / налево Bij de kerk linksaf. |
| de fietsenstallingмн. fietsenstallingen | велопарковка De fietsenstalling is naast het station. |
| te voet | пешком Vijf minuten te voet. |
| ver | далеко Is het ver van hier? |
Oefening 1
Kies het juiste voorzetsel.
Выберите правильный предлог.
- 1Ik werk kantoor in Eindhoven.
Я работаю в офисе в Эйндховене.
- 2De kinderen spelen straat.
Дети играют на улице.
- 3Ons huis staat de Hoofdstraat.
Наш дом стоит на Хоофдстраат.
- 4Morgen ga ik de tandarts.
Завтра я иду к стоматологу.
- 5Ik ben nu de huisarts, ik bel je zo terug.
Я сейчас у врача, перезвоню.
- 6De bushalte is de kerk, je ziet hem meteen.
Остановка напротив церкви, сразу увидишь.
- 7Mijn buurvrouw komt Polen, maar ze woont hier al twintig jaar.
Моя соседка из Польши, но живёт здесь уже двадцать лет.
- 8Om zes uur ben ik weer .
В шесть я снова дома.
Нашли ошибку или неточность в этом уроке? Напишите мне →