Er: plaats, aanwezigheid, aantal en voorzetsel
The word er: four functions
A2 · Elementary · ≈ 28 min · setting: Haarlem, Amsterdam
Er is the most Dutch of words and learners' most common complaint: English has no single equivalent, yet it turns up in every other sentence. In fact, er has only four functions, and each one is easy to recognise from context. Let's go through them one by one.
1. Existence: er is / er zijn
This is an A1-level function: er introduces something new that the listener doesn't know about yet. It is almost always followed by een, a number, or geen.
Er is een nieuwe bakker op de Hoofdstraat.
A new bakery has opened on Hoofdstraat.
Er zijn vanavond geen bussen na twaalf uur.
There are no buses after twelve tonight.
In Haarlem is er elke maandag markt.
There is a market in Haarlem every Monday.
After an adverbial phrase, er moves after the verb.
2. Place: er instead of “there”
When a place has already been mentioned, you don't repeat it — you use er instead. It corresponds to English “there”, but unstressed: when the place itself is the point, Dutch says daar.
— Ken je Amsterdam? — Ja, ik werk er.
— Do you know Amsterdam? — Yes, I work there.
We wonen in Haarlem en we wonen er met plezier.
We live in Haarlem and we enjoy living here.
— Ben je al bij die nieuwe kaaswinkel geweest? — Nee, ik ben er nog nooit geweest.
— Have you been to the new cheese shop yet? — No, I've never been there.
3. Quantity: er + number
— Hoeveel fietsen hebben jullie? — We hebben er vier.
— How many bikes do you have? — Four.
— Zijn er nog kaartjes? — Ja, er zijn er nog drie.
— Are there still tickets? — Yes, three more.
Here there are two ers in a row: the first for existence, the second for quantity. This is how it's said.
— Wil je een broodje? — Ik heb er al één gehad, dank je.
— Do you want a bun? — I've already eaten one, thanks.
4. er + preposition
When “it” is a thing, Dutch does not say over het, met het, op het for “about it”, “with it”, “on it”. Instead of preposition + het/dat, a fused form er + preposition is used: over het → erover, met het → ermee, aan het → eraan.
| Werkwoord + voorzetsel | Met er | Voorbeeld |
|---|---|---|
| denken aan | eraan | Ik denk er vaak aan. |
| praten over | erover | We hebben er gisteren over gepraat. |
| kijken naar | ernaar | Ik kijk er morgen naar. |
| wachten op | erop | Ik wacht er al een week op. |
| zin hebben in | erin | Heb je er zin in? |
| blij zijn met | ermee | Ik ben er heel blij mee. |
| klaar zijn met | ermee | Ben je er klaar mee? |
| Werkwoord + voorzetsel | Met er | Voorbeeld |
|---|---|---|
| denken aan | eraan | Ik denk er vaak aan. |
| praten over | erover | We hebben er gisteren over gepraat. |
| kijken naar | ernaar | Ik kijk er morgen naar. |
| wachten op | erop | Ik wacht er al een week op. |
| zin hebben in | erin | Heb je er zin in? |
| blij zijn met | ermee | Ik ben er heel blij mee. |
| klaar zijn met | ermee | Ben je er klaar mee? |
Note: met becomes mee, and tot becomes toe. Other prepositions do not change.
Dialoog — Over de nieuwe buren
A short conversation by the mailboxes.
- Marjolein
Heb je de nieuwe buren al gezien?
Have you seen the new neighbours yet?
- Alex
Nog niet. Er was gisteren wel een verhuiswagen.
Not yet. There was a moving truck yesterday.
Existence → er was.
- Marjolein
Ze hebben kinderen, geloof ik. Twee, denk ik.
They seem to have children. Two, I think.
- Alex
Twee? Ik dacht dat ze er drie hadden.
Two? I thought they had three.
Quantity → er drie.
- Marjolein
Kan best. We vragen het gewoon. Heb je er zin in om samen even langs te gaan?
Could be. Let's just ask. Do you feel like popping round together?
zin hebben in → er … in.
- Alex
Ja hoor. Ik heb er trouwens al bloemen voor gekocht.
Yes, of course. By the way, I've already bought flowers for them.
- Marjolein
Wat lief! Dan gaan we er vanavond naartoe.
How sweet! Then we'll go over there tonight.
Place + direction → ernaartoe.
5. Veelgemaakte fouten
✕ Not like this
Ik heb twee.(in response to “how many?”)
✓ Correct
Ik heb er twee.
I've got two (of them).
Why: When a number stands without its noun (“I've got two” — two what?), add er: Ik heb er twee. er stands for the thing already mentioned.
✕ Not like this
Ik denk vaak aan het.
✓ Correct
Ik denk er vaak aan.
I often think about it.
Why: “I think about it” is not aan het but er … aan: Ik denk er vaak aan. For things and events het isn't used after a preposition.
✕ Not like this
We hebben over het gepraat.
✓ Correct
We hebben erover gepraat.
We talked about it.
Why: “About it” is not over het but erover (er + over, as one word).
✕ Not like this
Ik ben blij met het.
✓ Correct
Ik ben er blij mee.
I'm happy with it.
Why: “Happy with it” is er … mee. With er, met turns into mee: Ik ben er blij mee.
✕ Not like this
Is een supermarkt in de buurt?
✓ Correct
Is er een supermarkt in de buurt?
Is there a supermarket nearby?
Why: “Is there…?” is Is er…? When you say something exists somewhere, you need er.
✕ Not like this
Ik woon in Haarlem en ik woon met plezier.
✓ Correct
Ik woon in Haarlem en ik woon er met plezier.
I live in Haarlem and I enjoy living there.
Why: “I enjoy living there” — you have to say “there”: er. You can't just leave it out.
Woordenlijst
de verhuiswagenpl. verhuiswagens
removal van
Er stond een verhuiswagen voor de deur.
kan best
quite possiblespreektaal
Kan best, ik weet het niet zeker.
langsgaan bij
to visit someone
Zullen we even bij ze langsgaan?
ernaartoe
there, to that place
We gaan er vanavond naartoe.
klaar zijn met
to be done with something
Ben je er klaar mee?
wachten op
to wait for something
Ik wacht er al een week op.
| de verhuiswagenpl. verhuiswagens | removal van Er stond een verhuiswagen voor de deur. |
| kan best | quite possiblespreektaal Kan best, ik weet het niet zeker. |
| langsgaan bij | to visit someone Zullen we even bij ze langsgaan? |
| ernaartoe | there, to that place We gaan er vanavond naartoe. |
| klaar zijn met | to be done with something Ben je er klaar mee? |
| wachten op | to wait for something Ik wacht er al een week op. |
Oefening 1
Vul er in als dat nodig is. Schrijf een streepje (-) als er niet nodig is.
Fill in er if needed. Use a hyphen (-) if not.
- 1— Hoeveel kinderen heb je? — Ik heb twee.
— How many children do you have? — Two.
- 2is een nieuwe bakker op de Hoofdstraat.
There is a new bakery on Hoofdstraat.
- 3Ik werk in Amsterdam en ik werk al drie jaar.
I work in Amsterdam and have been working there for three years.
- 4Mijn dochter heeft twee fietsen in de schuur staan. Ze gebruikt maar één.
My daughter has two bikes in the shed. She only uses one.
- 5De trein naar Nijmegen vertrekt om acht uur van spoor 5. Ik ga met de fiets naartoe.
The train to Nijmegen is at eight from platform five. I will cycle there.
- 6Ik heb twee broers en één zus.
I have two brothers and one sister.
Found a mistake or something unclear in this lesson? Send me a note →