NLnl-learn

Familie en relaties

Семья и близкие

A1 · Начальный · ≈ 20 мин

Разговор о семье — вторая тема после погоды. Здесь весь нужный словарь плюс важные культурные детали: почему нидерландец скажет mijn vriendin, а не mijn vrouw, и что значит een samengesteld gezin.

1. Основной словарь

Het gezin — семья в узком смысле
  • de vader / pa, papa

    Перевод

    отец / папа

    Voorbeeld

    Mijn vader woont nog in het buitenland.

  • de moeder / ma, mama

    Перевод

    мать / мама

    Voorbeeld

    Mijn moeder komt in mei op bezoek.

  • de ouders

    Перевод

    родители

    Voorbeeld

    Mijn ouders wonen in De Steeg.

  • de zoon

    Перевод

    сын

    Voorbeeld

    Onze zoon zit in groep 6.

  • de dochter

    Перевод

    дочь

    Voorbeeld

    Mijn dochter fietst zelf naar school.

  • het kind / de kinderen

    Перевод

    ребёнок / дети

    Voorbeeld

    Hebben jullie kinderen?

  • de broer

    Перевод

    брат

    Voorbeeld

    Mijn broer werkt in Nijmegen.

  • de zus

    Перевод

    сестра

    Voorbeeld

    Mijn zus studeert in Utrecht.

  • de man

    Перевод

    муж; мужчина

    Voorbeeld

    Haar man werkt bij de gemeente.

  • de vrouw

    Перевод

    жена; женщина

    Voorbeeld

    Mijn vrouw is verpleegkundige.

  • het gezin

    Перевод

    семья (родители + дети)

    Voorbeeld

    Wij zijn een gezin van vier.

  • de familie

    Перевод

    родня, вся родня

    Voorbeeld

    Onze familie woont verspreid door Europa.

het gezin — те, кто живёт вместе. de familie — вся родня, включая тёть и двоюродных. Путать их — типичная ошибка.

Родня пошире
  • de opa / de grootvader

    дедушка

  • de oma / de grootmoeder

    бабушка

  • de kleinzoon / de kleindochter

    внук / внучка

  • de oom / de tante

    дядя / тётя

  • de neef

    племянник; двоюродный брат

  • de nicht

    племянница; двоюродная сестра

  • de schoonouders

    родители супруга

  • de schoonmoeder / de schoonvader

    тёща, свекровь / тесть, свёкор

  • de zwager / de schoonzus

    шурин, деверь / невестка, золовка

  • de stiefvader / de stiefmoeder

    отчим / мачеха

neef и nicht значат сразу и «племянник», и «двоюродный брат» — уточняют по контексту: een neefje van vier — маленький племянник.

2. Семейное положение

Burgerlijke staat
  • getrouwd

    Перевод

    женат / замужем

    Voorbeeld

    Ik ben getrouwd met Nora.

  • samenwonend

    Перевод

    живёт вместе (без брака)

    Voorbeeld

    We wonen al vijf jaar samen.

  • een relatie hebben

    Перевод

    быть в отношениях

    Voorbeeld

    Ik heb een relatie.

  • vrijgezel / alleenstaand

    Перевод

    холост / одинокий

    Voorbeeld

    Hij is nog vrijgezel.

  • gescheiden

    Перевод

    разведён

    Voorbeeld

    Mijn ouders zijn gescheiden.

  • verloofd

    Перевод

    помолвлен

    Voorbeeld

    Ze zijn sinds mei verloofd.

  • weduwe / weduwnaar

    Перевод

    вдова / вдовец

    Voorbeeld

    Mijn oma is weduwe.

3. Как рассказывают о семье

  • We zijn een gezin van vier: mijn vrouw, twee kinderen en ik.

    Нас в семье четверо: жена, двое детей и я.

  • Mijn dochter is zeven en zit in groep 4.

    Дочери семь, она в четвёртой группе.

    Возраст — с глаголом zijn. Groep 1–8 — нидерландская начальная школа.

  • Mijn ouders wonen nog in het buitenland, maar ze komen in het voorjaar op bezoek.

    Родители пока за границей, но весной приедут в гости.

    op bezoek komen — «приехать в гости».

  • Mijn schoonouders wonen in Rheden, dus ze passen vaak op de kinderen.

    Родители жены живут в Редене, поэтому часто сидят с детьми.

  • Mijn broer en ik schelen drie jaar.

    У нас с братом разница в три года.

    schelen — «отличаться, быть разницей», очень употребительный глагол.

Вопросы, которые вам зададут
  • Heb je kinderen?

    Перевод

    У тебя есть дети?

    Mogelijk antwoord

    Ja, twee. / Nee, nog niet.

  • Hoe oud zijn ze?

    Перевод

    Сколько им лет?

    Mogelijk antwoord

    Zeven en vier.

  • Ben je getrouwd?

    Перевод

    Ты женат?

    Mogelijk antwoord

    Ja. / Nee, ik woon samen.

  • Woont je familie ook in Nederland?

    Перевод

    Твоя родня тоже в Нидерландах?

    Mogelijk antwoord

    Nee, mijn ouders wonen in het buitenland.

  • Hoe heet je vrouw?

    Перевод

    Как зовут твою жену?

    Mogelijk antwoord

    Ze heet Nora.

  • Zie je je familie vaak?

    Перевод

    Часто видишься с роднёй?

    Mogelijk antwoord

    Twee keer per jaar, met vakantie.

Dialoog — Op de verjaardag van de buurvrouw

Классический нидерландский день рождения: круг стульев, кофе и разговор о семьях.

  1. Marjolein

    Alex, dit is mijn zus Anouk. Anouk, dit is onze nieuwe buurman.

    Алекс, это моя сестра Анук. Анук, это наш новый сосед.

    Так представляют людей друг другу: dit is …

  2. Anouk

    Hoi! Woon je hier met je gezin?

    Привет! Ты здесь с семьёй?

  3. Alex

    Ja, met mijn vrouw en onze dochter van zeven.

    Да, с женой и семилетней дочкой.

    onze dochter van zeven — «наша семилетняя дочь».

  4. Anouk

    Leuk! Zit ze op de Daalhuizen school?

    Здорово! Она ходит в школу Далхёйзен?

  5. Alex

    Klopt, in groep 4. En jij, heb jij kinderen?

    Да, в четвёртой группе. А у тебя есть дети?

  6. Anouk

    Twee jongens, van tien en twaalf. Mijn man en ik wonen in Rheden.

    Два мальчика, десять и двенадцать. Мы с мужем живём в Редене.

  7. Alex

    Dan zijn jullie snel hier. Komen jullie ouders ook uit deze buurt?

    Тогда вам сюда близко. Ваши родители тоже отсюда?

  8. Anouk

    Onze moeder woont in De Steeg, onze vader is een paar jaar geleden overleden.

    Мама живёт в Де Стехе, папа умер несколько лет назад.

    overlijden — нейтральное «уйти из жизни»; doodgaan звучит грубее.

  9. Alex

    Wat vervelend om te horen.

    Сочувствую.

    Стандартная короткая формула сочувствия.

Woordenlijst

  • het gezinмн. gezinnen

    семья (родители и дети)

    Wij zijn een gezin van vier.

  • de partnerмн. partners

    партнёр, супруг(а)

    Komt je partner ook?

  • op bezoek komen

    приезжать в гости

    Mijn ouders komen in mei op bezoek.

  • schelen

    быть разницей (в возрасте)

    Wij schelen drie jaar.

  • overlijden

    уйти из жизниneutraal

    Mijn opa is vorig jaar overleden.

  • Gefeliciteerd!

    Поздравляю!

    Gefeliciteerd met je zoon!

  • de verjaardagмн. verjaardagen

    день рождения

    Zaterdag is de verjaardag van mijn dochter.

Нашли ошибку или неточность в этом уроке? Напишите мне →