Mila breekt haar arm
- Personages:
- Mila, Nora, Alex, Fenna
Het was een zaterdagmiddag in maart. Mila speelde met Fenna in het park toen ze van het klimrek viel. Ze landde op haar linkerarm en begon meteen te huilen. Nora, die op een bankje zat, rende naar haar toe. De arm zag er vreemd uit, een beetje scheef.
In het weekend is de eigen huisarts gesloten. Nora wist dat ze dan de huisartsenpost moest bellen, niet meteen 112. „Bel 112 alleen als het levensgevaarlijk is,” had de huisarts ooit gezegd. Een assistente aan de telefoon stelde een paar vragen en zei toen: „Komt u direct naar de huisartsenpost bij het ziekenhuis. Geef haar voorlopig geen eten of drinken.”
Op de huisartsenpost keek een arts kort naar de arm. „Die moet op de foto,” zei hij, en hij stuurde hen door naar de spoedeisende hulp, een deur verder. Daar moesten ze anderhalf uur wachten. Mila had pijn, maar een verpleegkundige gaf haar een pijnstiller en een rode ballon. De ballon hielp meer, vond Mila.
Op de röntgenfoto was het duidelijk te zien: een breuk in de onderarm. „Gelukkig is het een rechte breuk,” zei de arts. „Hij hoeft niet geopereerd te worden. Ze krijgt zes weken gips.” Mila mocht zelf de kleur van het gips kiezen. Ze koos paars.
Thuis maakte Alex zich zorgen over de kosten. In Nederland betaal je elk jaar eerst zelf een deel van je zorgkosten: het eigen risico. Maar Nora had het al opgezocht. „Voor kinderen onder de achttien is er geen eigen risico,” zei ze. „De verzekering betaalt alles.” Alex was opgelucht.
De weken daarna waren lastig. Gelukkig was het haar linkerarm en kon Mila gewoon schrijven, maar zwemmen en hockeyen mocht ze zes weken niet. Op school schreven alle kinderen hun naam op het paarse gips. Fenna tekende er een paard bij.
Na zes weken ging het gips eraf. De arm was dun, wit en een beetje stijf. „Over een paar weken is alles weer normaal,” zei de arts. Mila keek naar het oude gips met alle namen. „Mag ik dat houden?” vroeg ze. Het staat nu op haar kamer, naast haar bed.