NLnl-learn

Het perfectum: hebben of zijn?

Прошедшее время: hebben или zijn

A1 · Начальный · ≈ 22 мин

В разговоре о прошлом нидерландцы почти всегда используют perfectum: вспомогательный глагол + причастие. Причастие мы уже умеем строить — остался один выбор: hebben или zijn. Список глаголов с zijn короткий, и его стоит выучить целиком.

Рамка перфекта
  • Ik heb gisteren in Amersfoort gewerkt.

    Вчера я работал в Амерсфорте.

    1Ik
    2. hebben / zijnheb
    3. Restgisteren in Amersfoort
    4. Deelwoordgewerkt.
  • We zijn zaterdag naar Utrecht gefietst.

    В субботу мы съездили в Утрехт на велосипедах.

    1We
    2. hebben / zijnzijn
    3. Restzaterdag naar Utrecht
    4. Deelwoordgefietst.
  • Gisteren heb ik de huisarts gebeld.

    Вчера я звонил врачу.

    1Gisteren
    2. hebben / zijnheb
    3. Restik de huisarts
    4. Deelwoordgebeld.
  • Wat heb je in het weekend gedaan?

    Что ты делал на выходных?

    1Wat
    2. hebben / zijnheb
    3. Restje in het weekend
    4. Deelwoordgedaan?

1. По умолчанию — hebben

  • Ik heb gisteren twee uur Nederlands geleerd.

    Вчера я два часа учил нидерландский.

  • We hebben op de markt kaas gekocht.

    Мы купили сыр на рынке.

  • Heb je de buren al ontmoet?

    Ты уже познакомился с соседями?

  • Zij heeft het formulier gisteren ingevuld.

    Она вчера заполнила бланк.

2. Когда нужен zijn

zijn берут глаголы перемещения из точки А в точку Б и глаголы изменения состояния, а также несколько отдельных слов, которые нужно запомнить.

Список, который стоит выучить целиком
WerkwoordDeelwoordVoorbeeld
gaangegaanIk ben naar de markt gegaan.
komengekomenZij is te laat gekomen.
zijngeweestIk ben in Nijmegen geweest.
blijvengeblevenWe zijn thuisgebleven.
wordengewordenHij is dertig geworden.
beginnenbegonnenDe cursus is al begonnen.
stoppengestoptDe bus is gestopt.
vertrekkenvertrokkenDe trein is vertrokken.
aankomenaangekomenWe zijn om acht uur aangekomen.
verhuizenverhuisdZe zijn naar Utrecht verhuisd.
gebeurengebeurdEr is iets gebeurd.
opstaanopgestaanIk ben vroeg opgestaan.

Обратите внимание: zijn и blijven сами идут с zijn — ik ben geweest, we zijn gebleven.

Сравните

  • Ik heb gisteren twee uur gelopen.

    Вчера я два часа гулял пешком.

    Само занятие — hebben.

  • Ik ben naar het station gelopen.

    Я дошёл пешком до вокзала.

    Есть направление — zijn.

  • We hebben in de Rijn gezwommen.

    Мы купались в Рейне.

    Занятие.

  • Hij is naar de overkant gezwommen.

    Он переплыл на другой берег.

    Перемещение из точки в точку.

3. Порядок слов в вопросе и в придаточном

Где стоят вспомогательный глагол и причастие
Тип предложенияVoorbeeld
УтверждениеIk heb gisteren gewerkt.
ИнверсияGisteren heb ik gewerkt.
Ja/nee-вопросHeb je gisteren gewerkt?
W-вопросWat heb je gisteren gedaan?
С omdat…omdat ik gisteren heb gewerkt.
ОтрицаниеIk heb gisteren niet gewerkt.

В придаточном с omdat обе глагольные части уходят в конец. Возможны оба порядка: heb gewerkt и gewerkt heb — в речи второй даже чаще.

Dialoog — Maandagochtend op kantoor

Обмен новостями после выходных.

  1. Sanne

    Wat heb je zaterdag gedaan?

    Что ты делал в субботу?

  2. Alex

    We zijn naar de Veluwe gefietst en daarna hebben we in het dorp gegeten.

    Мы съездили на велосипедах на Велюве, а потом поели в деревне.

    gefietst с направлением → zijn; gegeten → hebben.

  3. Sanne

    Leuk! Zijn jullie ook bij het theehuis geweest?

    Здорово! А в чайном домике были?

    zijn geweest — «побывали».

  4. Alex

    Ja, maar het was druk, dus we zijn snel weer vertrokken.

    Да, но было людно, так что мы быстро уехали.

  5. Sanne

    En zondag?

    А в воскресенье?

  6. Alex

    Zondag zijn we thuisgebleven. Ik heb eindelijk die kast opgeruimd.

    В воскресенье остались дома. Я наконец разобрал тот шкаф.

    blijven → zijn; opruimen → hebben.

  7. Sanne

    Goed bezig! Ik ben vrijdag pas om elf uur thuisgekomen, dus ik heb het hele weekend uitgeslapen.

    Молодец! А я в пятницу пришла домой только в одиннадцать, так что все выходные отсыпалась.

    Goed bezig! — «молодец», очень частая похвала.

4. Veelgemaakte fouten

✕ Так неправильно

Ik heb naar Utrecht gegaan.

✓ Правильно

Ik ben naar Utrecht gegaan.

Я съездил в Утрехт.

Почему: gaan всегда с zijn.

✕ Так неправильно

Ik ben gisteren gewerkt.

✓ Правильно

Ik heb gisteren gewerkt.

Вчера я работал.

Почему: werken — обычный глагол с hebben.

✕ Так неправильно

Ik heb gebleven thuis.

✓ Правильно

Ik ben thuisgebleven.

Я остался дома.

Почему: С blijven («оставаться») берут ben, а не heb. И форма gebleven стоит в конце: thuisgebleven.

✕ Так неправильно

Heb je geweest in Nijmegen?

✓ Правильно

Ben je in Nijmegen geweest?

Ты был в Неймегене?

Почему: «Был» — ben … geweest, а не heb. И geweest ставится в самый конец.

✕ Так неправильно

Wij hebben opgestaan om zes uur.

✓ Правильно

Wij zijn om zes uur opgestaan.

Мы встали в шесть часов.

Почему: opstaan — изменение состояния, идёт с zijn.

✕ Так неправильно

Ik heb gisteren de mail gelezen niet.

✓ Правильно

Ik heb de mail gisteren niet gelezen.

Я вчера не прочитал письмо.

Почему: niet ставится перед gelezen: форма прошедшего всегда остаётся последней.

Woordenlijst

  • gisteren

    вчера

    Gisteren heb ik gewerkt.

  • vorige week

    на прошлой неделе

    Vorige week zijn we verhuisd.

  • net

    только чтоspreektaal

    Ik heb hem net gesproken.

  • eindelijk

    наконец

    Ik heb de kast eindelijk opgeruimd.

  • Goed bezig!

    Молодец!spreektaal

    Goed bezig, zeg!

  • het theehuisмн. theehuizen

    чайный домик (на Велювее)

    We zijn bij het theehuis geweest.

Нашли ошибку или неточность в этом уроке? Напишите мне →