NLnl-learn

Eten, drinken en boodschappen doen

Їжа та покупки

A1 · Початковий · ≈ 22 хв

Похід в Albert Heijn на Hoofdstraat або на понеділковий ринок у Велпі — ідеальне тренування: короткі репліки, передбачувані запитання. Вивчіть десяток фраз із цього уроку, і покупки перестануть бути стресом.

1. Що їдять і коли

De maaltijden — прийоми їжі
  • het ontbijt

    Wanneer

    07:00–08:30

    Wat

    brood, yoghurt, koffie, thee

  • de lunch

    Wanneer

    12:00–13:00

    Wat

    boterhammen mee naar werk, soms soep

  • het avondeten

    Wanneer

    17:30–18:30

    Wat

    гаряче: aardappelen, groente, vlees

  • de koffie

    Wanneer

    10:30 en 15:00

    Wat

    koffie met iets erbij, часто з печивом

  • de borrel

    Wanneer

    п'ятниця після 17:00

    Wat

    напої з колегами або сусідами

Обідають у Нідерландах скромно й рано, а вечеряють близько шостої. Запрошення в гості на 20:00 зазвичай означає «після вечері» — годувати не будуть, буде кава.

Базовий список продуктів
  • het brood

    хліб

  • de melk

    молоко

  • de boterham

    бутерброд

  • de kaas

    сир

  • het broodje

    булочка

  • de boter

    масло

  • het beleg

    начинка для бутерброда

  • het ei

    яйце

  • de groente

    овочі

  • het fruit

    фрукти

  • de aardappel

    картопля

  • de rijst

    рис

  • het vlees

    м'ясо

  • de kip

    курка

  • de vis

    риба

  • de soep

    суп

  • de koffie

    кава

  • de thee

    чай

  • het water

    вода

  • het bier

    пиво

  • de suiker

    цукор

  • het zout

    сіль

  • de appel

    яблуко

  • de banaan

    банан

2. Скільки і в чому

Вага та упаковка
  • een ons

    Скільки це

    100 грамів

    Voorbeeld

    Doe maar een ons ham.

  • een pond

    Скільки це

    500 грамів

    Voorbeeld

    Een pond gehakt, alstublieft.

  • een kilo

    Скільки це

    1000 грамів

    Voorbeeld

    Twee kilo aardappelen.

  • een liter

    Скільки це

    літр

    Voorbeeld

    Een liter halfvolle melk.

  • een pak

    Скільки це

    пачка

    Voorbeeld

    Een pak rijst.

  • een fles

    Скільки це

    пляшка

    Voorbeeld

    Een fles water.

  • een blikje

    Скільки це

    бляшанка

    Voorbeeld

    Een blikje cola.

  • een zakje

    Скільки це

    пакетик

    Voorbeeld

    Een zakje noten.

  • een bosje

    Скільки це

    пучок

    Voorbeeld

    Een bosje wortels.

  • een stuk

    Скільки це

    шматок, штука

    Voorbeeld

    Een stuk kaas van de oude.

een ons = 100 г — суто нідерландська міра, її чути біля кожного прилавка із сиром і ковбасою.

3. Фрази біля прилавка і на касі

Що каже продавець / що кажете ви
  • Zegt u het maar!

    Переклад

    Слухаю вас!

    Uw antwoord

    Doe maar een pond kaas.

  • Wie is er aan de beurt?

    Переклад

    Чия черга?

    Uw antwoord

    Ik geloof dat ik aan de beurt ben.

  • Anders nog iets?

    Переклад

    Ще щось?

    Uw antwoord

    Nee, dat was het. / Ja, ook nog…

  • Mag het iets meer zijn?

    Переклад

    Можна трохи більше?

    Uw antwoord

    Ja hoor, prima. / Nee, liever niet.

  • Wilt u een tasje?

    Переклад

    Пакет потрібен?

    Uw antwoord

    Nee, ik heb er zelf een bij me.

  • Pinnen of contant?

    Переклад

    Карткою чи готівкою?

    Uw antwoord

    Pinnen, graag.

  • Spaart u zegels?

    Переклад

    Збираєте наліпки?

    Uw antwoord

    Nee, dank u.

  • Fijne dag nog!

    Переклад

    Гарного дня!

    Uw antwoord

    U ook, dank u wel!

Dialoog 1 — Bij de kaaskraam op de markt

Понеділковий ринок у Велпі, черга біля сирного прилавка.

  1. Kaasboer

    Wie is er aan de beurt? … Zegt u het maar!

    Чия черга? … Слухаю вас!

  2. Alex

    Doe maar een stuk jong belegen kaas, ongeveer een pond.

    Дайте шматок середнього сиру, приблизно пів кіло.

    jong / jong belegen / belegen / oud — ступені витримки сиру, ключовий словник.

  3. Kaasboer

    Prima. Het is 520 gram, mag het iets meer zijn?

    Добре. 520 грамів, можна трохи більше?

  4. Alex

    Ja hoor, prima.

    Так, звісно.

  5. Kaasboer

    Anders nog iets?

    Ще щось?

  6. Alex

    Ja, ook nog een ons oude kaas. En dat was het.

    Так, ще сто грамів витриманого. І все.

  7. Kaasboer

    Dat is dan negen euro tachtig. Pinnen kan.

    З вас дев'ять вісімдесят. Карткою можна.

  8. Alex

    Alstublieft. Fijne dag nog!

    Будь ласка. Гарного дня!

Dialoog 2 — In de supermarkt

Шукаємо товар і проходимо касу в Albert Heijn.

  1. Alex

    Sorry, waar staat de rijst?

    Вибачте, де рис?

    waar staat…? — «де стоїть», звичайне запитання про товар на полиці.

  2. Medewerker

    Schap 7, naast de pasta. Zal ik het even laten zien?

    Сьомий стелаж, поруч із макаронами. Показати?

  3. Alex

    Graag, dank u.

    Так, будь ласка, дякую.

  4. Caissière

    Goedemiddag. Spaart u zegels?

    Доброго дня. Наліпки збираєте?

  5. Alex

    Nee, dank u.

    Ні, дякую.

  6. Caissière

    Wilt u een tasje erbij?

    Пакет потрібен?

  7. Alex

    Nee, ik heb een tas bij me. Ik wil graag pinnen.

    Ні, у мене своя сумка. Оплачу карткою.

  8. Caissière

    Dat is 23,45. U kunt pinnen.

    23,45. Можете прикладати картку.

    Ціну читають: drieëntwintig vijfenveertig.

4. Veelgemaakte fouten

Ik wil kaas.

Ik wil graag kaas. / Doe maar kaas.

Без graag звучить як вимога.

een honderd gram kaas

een ons kaas

100 грамів нідерландською — een ons.

Ik neem een half kilo.

Ik neem een pond. / een halve kilo.

Або pond, або halve kilo — із закінченням -e.

Kan ik betalen met kaart?

Kan ik pinnen?

pinnen — стандартне дієслово для оплати карткою.

Ik heb honger, ik ben eten.

Ik heb honger, ik ga eten.

«Піду поїм» — ik ga eten; ik ben eten не існує.

Dat is alles.

Dat was het.

Біля прилавка кажуть саме так: «це все».

Woordenlijst

  • boodschappen doen

    робити покупки (продукти)

    Ik doe even boodschappen.

  • aan de beurt zijn

    бути на черзі

    Wie is er aan de beurt?

  • het schapмн. schappen

    полиця, стелаж

    De rijst staat in schap 7.

  • belegen

    витриманий (про сир)

    Een pond jong belegen kaas, graag.

  • het tasjeмн. tasjes

    пакет

    Wilt u een tasje?

  • de kassaмн. kassa's

    каса

    Je kunt bij kassa 3 afrekenen.

  • afrekenen

    розрахуватися

    Ik wil graag afrekenen.

  • Dat was het

    Це всеspreektaal

    Nee, dat was het. Dank u.

Знайшли помилку або неточність у цьому уроці? Напишіть мені →